Cicero op Cyprus
Zo’n rotsvast hoofd blijft liever thuis, 
Marcus Tullius, proconsul te Paphos,
het knarst marmer tussen de tanden
en staart naar iets eeuwigs aan de einder.
Aan zo’n hoofd nog geen Christus;
het mozaïekt er van de naakte nimfen,
schuimige godinnen en ook onder die wereld
is het een onthullende drukte van dood.
In zo’n kop vol gebeitelde woorden maalt het:
de motus animi continuus die het begrensde rijk
de godganse ruimte voor de ogen draait,
die vol scepsis de tong aan zichzelve onthult.
Zo’n hoofd loopt niet om, het epicureert een hapje,
laat de zuilengang rechts liggen en doet geen
peripatetische stap te veel; onbewogen steent
het zijn filippica’s. Zo’n Romeinse kop houdt hier
geen stand; reeds beeft het in het voetstuk,
het eiland platgelopen door hordes barbaren,
toeristen -, blauw ziet het er nu – van de vallende ster.
Zo’n rotsvast hoofd, Marcus Tullius, is des aanstoots;
de stad hakte er brutaalweg het corpus vanaf,
het eeuwige verloor aldus voor altijd het hoofd.